NEWS Pensioenhervorming: stand van zaken

Aan het begin van het gerechtelijk jaar lijkt het ons nuttig om u een stand van zaken te bezorgen over de pensioenhervorming

Aan het begin van het gerechtelijk jaar lijkt het ons nuttig om u een stand van zaken te bezorgen over de pensioenhervorming

Deze hervorming, die momenteel wordt voorbereid, omvat twee luiken met ingrijpende gevolgen voor de magistraten.

Het eerste luik (niet-indexering van de hoogste pensioenen tot 2029, tenzij de inflatie een plafond overschrijdt) werd aangenomen via de programmawet van 18 juli 2025 (B.S. van 29 juli 2025). Dit zal een koopkrachtverlies van maximaal 10 tot 12% veroorzaken tegen 2029. Deze maatregel treft voornamelijk de magistraten met de hoogste pensioenen.

Het tweede luik (wijziging van de pensioenberekening – tantième en referentieperiode) is nog niet aangenomen. Dit tweede luik kan voor sommige magistraten een vermindering van het pensioen tot 20 à 22% tot gevolg hebben (cijfers van de Pensioendienst voor een pensioen op 67-jarige leeftijd, bevestigd door het kabinet van de minister van Pensioenen), met name voor de collega’s die recent benoemd zijn en van wie het grootste deel van de loopbaan na 2027 ligt.

Het tweede luik bevat ook andere maatregelen die een impact zullen hebben op ons pensioenstelsel (afschaffing van de verhogingscoëfficiënt – verdwijning van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid – afschaffing van de perequatie).

Ondanks de verschillende verzoeken van de ARM en de andere vertegenwoordigers van de magistraten (daar inbegrepen de door de Hoge Raad voor de Justitie georganiseerde dialoog op 13 juni 2025 en de persconferentie van de eerste voorzitters en procureurs-generaal op 27 juni 2025), weigert de regering momenteel elke overleg over dit tweede luik. De wettekst zou aldus tegen eind 2025 kunnen worden aangenomen, zonder overleg noch overgangsmaatregelen.

De als bijlage gevoegde communicatie geeft een overzicht van de belangen die hierbij op het spel staan, de cijfers en institutionele standpunten.

 

Bijlage:

Wij achten het nuttig om u in te lichten over de stand van zaken betreffende de hervorming van de magistratenpensioenen.

Zoals we al uiteen hebben gezet in onze eerdere mededelingen, bestaat deze hervorming uit twee luiken.

Luik 1: Niet-indexering van de hoogste pensioenen

Het eerste luik betreft de niet-indexering van het maximale bedrag van het eerste pijlerpensioen in de openbare sector (Wijninckx-plafond), momenteel vastgesteld op 8.291,60 EUR bruto per maand (zijnde ongeveer 4.500 EUR netto per maand, naargelang de individuele situatie). Dit luik betreft uitsluitend de hoogste pensioenen in de openbare sector; niet alle magistraten genieten van een dergelijk pensioen (zie mypension.be om uw persoonlijke situatie na te kijken).

Voor pensioenen boven 5.182,63 euro is de indexering beperkt.

Aanvankelijk (d.w.z. volgens het regeerakkoord van februari 2025) wilde de federale regering dat deze niet-indexering onbeperkt in de tijd hernieuwbaar zou zijn. Bovendien was er geen bescherming voorzien tegen hoge inflatie (ter herinnering: in 2022 bedroeg de jaarlijkse inflatie 10,35%). Dit leidde ertoe dat universiteitsprofessoren gespecialiseerd in overheidsfinanciën inschatten dat deze niet-indexering zou leiden tot een koopkrachtverlies van 30 tot 40% voor de betrokken magistraten (zie het advies van de ARM van 14 april 2025). Hun schatting was voornamelijk gebaseerd op een gemiddelde inflatie van 2 tot 3% per jaar over een periode van vijftien jaar.

Naar aanleiding van de besprekingen die de ARM, het College van hoven en rechtbanken (CHR), het College van het openbaar ministerie (COM) en het Hof van Cassatie vanaf 14 april 2025 hebben gevoerd met de minister van Pensioenen en zijn kabinet, heeft de regering uiteindelijk aanvaard (i) de niet-indexering te beperken tot de huidige legislatuur (die eindigt in 2029) en (ii) deze te koppelen aan een plafond. Volgens dit plafond zal, indien de inflatie tijdens deze legislatuur meer dan vijf keer de spijlindex overschrijdt, de indexering van de hoogste pensioenen opnieuw worden geactiveerd.

Dit mechanisme (niet voorzien in het regeerakkoord van februari 2025) zou het koopkrachtverlies als gevolg van de niet-indexering van de hoogste pensioenen in de openbare sector moeten beperken tot maximaal 10 à 12% tegen 2029.

De wet die deze maatregel bekrachtigt, werd besproken binnen de regering (voorontwerp) in april 2025, het wetsontwerp werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers in mei 2025 en de stemming vond plaats in juli 2025 (programmawet van 18 juli 2025, B.S. van 29 juli 2025 – zie met name de artikelen 220 tot 224).

De maatregel heeft impact op gepensioneerde magistraten en magistraten die vóór 2029 met pensioen gaan, alsook op magistraten die een pensioen zullen ontvangen dat het Wijninckx-plafond bereikt.

Magistratenverenigingen overwegen een of meerdere beroepen tot vernietiging in te dienen bij het Grondwettelijk Hof tegen deze wet. Aangezien de maatregel alle (hoogste) pensioenen in de openbare sector treft, overwegen ook ambtenaren of hun vakbonden om hetzelfde te doen.

 

Luik 2 (a): Wijziging van de pensioenberekening (tantième en referentieperiode)

Zoals uiteengezet in het advies van de ARM van 14 april 2025, wordt het jaarlijkse pensioen van een magistraat als volgt berekend:

Pensioen = T x S / Tantième

Waarbij:

  • T” (of “referentiewedde”) de gemiddelde netto-inkomsten zijn over een bepaalde periode (“referentieperiode”). Momenteel komt deze periode overeen met de laatste 10 dienstjaren van de magistraat;
  • S” het aantal dienstjaren als magistraat is (= vanaf de benoeming tot aan het pensioen); en

 

  • het “tantième” een wettelijk vastgelegd cijfer is. Vóór 2012 was dit cijfer 1/30. Een magistraat met 30 dienstjaren kon dus een pensioen ontvangen gelijk aan de referentiewedde (want 30 dienstjaren/ 30 = 1).
  •  

In 2012 heeft de wetgever het tantième verhoogd naar 1/48. Voor magistraten benoemd vanaf 2012 zijn dus 36 dienstjaren nodig om een volledig pensioen te ontvangen (gelijk aan het Wijninck-plafond).  

Met het tweede luik van de hervorming wil de regering vandaag:

(1) enerzijds de referentiewedde geleidelijk wijzigen door deze te berekenen over de laatste 45 dienstjaren: in 2027 worden de gemiddelde netto-inkomsten berekend over de laatste 11 jaren (in plaats van 10); in 2028, over de laatste 12 jaren; enzovoort tot men uitkomt op een berekening over 45 jaren in 2062 (2027 + 45 = 2062); en

(2) anderzijds het tantième verhogen naar 1/60, in plaats van 1/48, vanaf 2027. Dienstjaren vóór 2027 blijven onderworpen aan het toepasselijke tantième: 1/30 of 1/48, afhankelijk van het geval. Met een tantième van 1/60 is het onmogelijk om een volledig pensioen te bereiken, aangezien daarvoor een loopbaan van 40 jaar nodig zou zijn.

Na lang aandringen tijdens verschillende vergaderingen, hebben het kabinet van de minister van Pensioenen en de Federale Pensioendienst op 19 juni 2025 eindelijk aan de ARM, het CHR, het COM en het Hof van Cassatie de impact van dit tweede luik meegedeeld: het pensioen van sommige magistraten wordt hierdoor tot 20 à 22% verminderd.

Dit bevestigt duidelijk de cijfers:

  • uit het advies van de ARM van 14 april 2025 waarin vermeld werd: “de werkelijke impact […] loopt […] op tot een vermindering van 19,59% van het bedrag van het pensioen op 67-jarige leeftijd”, en
  • uit de nota van 15 mei 2025 van het advocatenkantoor geraadpleegd door de Vakvereniging waarin vermeld werd: “Wie daarentegen op latere leeftijd instroomt (via beroepsbekwaamheid of de ‘derde weg’) zal ongeveer 20%-28% minder pensioen ontvangen”.
  •  

Dit aanzienlijke verlies zal vooral collega’s treffen die recent benoemd zijn en van wie het grootste deel van de loopbaan na 2027 ligt: zij zullen immers het grootste aantal dienstjaren hebben die berekend worden volgens het tantième van 1/60, alsook een minder gunstige referentiewedde (aangezien hun referentieperiode wordt verlengd).

 

Luik 2 (b): Afschaffing van de verhogingscoëfficiënt (vervroegd pensioen)

Het voorontwerp van wet voorziet bovendien in de afschaffing van de verhogingscoëfficiënt voor magistraten. Deze coëfficiënt vergrootte de mogelijkheden om vervroegd pensioen te nemen (op 63 jaar en na 42 jaar loopbaan, behoudens uitzonderingen). Zo waren 40 jaar loopbaan voor een magistraat gelijk aan 42 jaar, wat eventueel recht gaf op een vervroegd pensioen. Met de afschaffing van de verhogingscoëfficiënt wordt het voor veel collega's veel moeilijker of zelfs onmogelijk om de drempel van 42 jaar loopbaan te halen.

Luik 2 (vervolg): vóór juli 2025

Zoals vermeld in onze communicatie van 20 juni 2025, hebben de ARM, het CHR, het COM en het Hof van Cassatie tijdens de laatste ontmoeting met het kabinet van de minister van Pensioenen op 19 juni 2025 opnieuw de aandacht gevestigd op het feit dat de pensioenhervorming de aantrekkelijkheid van het ambt van magistraat vermindert, terwijl er momenteel al een tekort aan personeel is.

Zij betreurden ook dat deze hervorming geen rekening houdt met de specifieke kenmerken van het ambt, in het bijzonder het feit dat de gemiddelde leeftijd van toetreding tot de magistratuur relatief hoog ligt (33 jaar voor een substituut en 42 jaar voor een rechter), en dat het voor een magistraat verboden is om enige andere activiteit uit te oefenen (art. 293 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek).

De ARM, het CHR, het COM en het Hof van Cassatie hebben daarom gevraagd:

  • dat de magistraten zouden worden uitgesloten uit de lopende pensioenhervorming, zodat er aanvullende overlegmomenten kunnen plaatsvinden met de minister van Justitie in het kader van de uitwerking van een volwaardig sociaal en financieel statuut voor magistraten, zoals dat bestaat voor de wetgevende macht en de uitvoerende macht;
  • subsidiair, dat het tweede luik enkel van toepassing zou zijn op magistraten die na de inwerkingtreding ervan worden benoemd, op voorwaarde dat zij onmiddellijk een tweede pensioenpijler krijgen toegekend om de negatieve effecten van de hervorming te compenseren. Voor reeds benoemde magistraten werd gevraagd het huidige stelsel te behouden;
  • meer subsidiair, dat een tweede pensioenpijler zou worden voorzien voor de magistratuur en snel zou worden ingevoerd, om het verlies op het niveau van de eerste pijler te compenseren;
  • en nog meer subsidiair, dat overleg zou plaatsvinden over eventuele andere overgangsmaatregelen.
  •  

Het kabinet heeft op elk van deze verzoeken negatief geantwoord. Aan het einde van de vergadering van 19 juni 2025 heeft het elke verdere ontmoeting uitgesloten.

Op 27 juni 2025 hebben de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, evenals de procureurs-generaal bij deze verschillende rechtscolleges, een persconferentie gehouden waarin zij opriepen tot een herstart van de dialoog tussen de uitvoerende macht en de rechterlijke macht.

Afgezien van een audiëntie bij de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, heeft deze persconferentie geen nieuw overleg op gang gebracht over de pensioenhervorming en de gevolgen ervan voor de magistraten van de rechterlijke macht. Ook een antwoord van de Eerste minister bleef uit.

Luik 2 (vervolg): na het “zomerakkoord” van juli 2025

Het voorontwerp van wet betreffende het tweede luik van de pensioenhervorming, dat (onder andere) betrekking heeft op de magistraten van de rechterlijke macht, werd in juli door het “Kernkabinet” aangenomen bij het afsluiten van het “zomerakkoord”.

Volgens de informatie waarover de ARM beschikt:

  • zou dit voorontwerp reeds zijn voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voor advies;
  • zouden de regeringspartijen nog overleg moeten voeren over dit voorontwerp, zodra het advies van de Raad van State beschikbaar is;
  • is het doel van de minister van Pensioenen om het tweede luik van de pensioenhervorming vóór het einde van 2025 door het Parlement te laten aannemen.