NEWS Pensioenen

Zoals aangekondigd in onze vorige mededeling, vond op 19 juni 2025 een technisch overleg plaats tussen de drie pijlers (= Hof van Cassatie, College van rechtbanken en hoven en College van het openbaar ministerie), de Adviesraad van de magistratuur (ARM) en het kabinet van de minister van Pensioenen, in aanwezigheid van de Federale Pensioendienst.

 

Tijdens deze vergadering hebben we van de Federale Pensioendienst cijfers gekregen over de impact van de geplande pensioenmaatregelen:

- de verlenging van de referentieperiode,

- de aanpassing van de tantièmes en

- de combinatie van deze twee maatregelen.

 

Uit deze cijfers van de Federale Pensioendienst blijkt dat bepaalde profielen tot 20 of 22% van hun pensioen verliezen.

 

Dit bevestigt grotendeels de cijfers zoals opgenomen in het advies van de ARM van 14 april 2025 (“de werkelijke impact [...] loopt […] op tot een vermindering van 19,59 % van het bedrag van het pensioen op 67-jarige leeftijd”)[1] evenals die van de nota van het door de Vakvereniging geraadpleegde advocatenkantoor van 15 mei 2025 (“Wie daarentegen instroomt op latere leeftijd (via de beroepsbekwaamheid of de “derde weg”) zal ongeveer 20%-28% minder pensioen ontvangen”).

 

Gelet op deze aanzienlijke impact hebben de ARM en de drie pijlers in eerste instantie gevraagd om de magistraten uit te sluiten van de pensioenhervorming die momenteel in voorbereiding is, zodat hierover verder overleg zou kunnen worden gevoerd met de minister van Justitie in het kader van de opmaak van een volwaardig sociaal en financieel statuut voor de magistraten, en dit naar het voorbeeld van wat gebeurt voor de wetgevende en de uitvoerende macht.

 

In ondergeschikte orde werd voorgesteld om de pensioenhervorming die momenteel in voorbereiding is, enkel van toepassing te maken op de magistraten die na de inwerkintreding ervan zouden worden benoemd, mits voor hen onmiddellijk in een tweede pijlerpensioen zou worden voorzien die de negatieve effecten van de pensioenhervorming compenseert. Voor de nu al benoemde magistraten, werd gevraagd om de huidige regeling te behouden.

 

De ARM en de drie pijlers hebben het kabinet er immers nogmaals op gewezen dat de voorgenomen pensioenhervorming de aantrekkelijkheid van het ambt van magistraat vermindert, terwijl dit nu al kampt met tekorten.

 

Ten slotte betreurden zij dat in de voorgenomen hervorming geen rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het ambt, met name het feit dat de gemiddelde leeftijd bij indiensttreding bij de magistratuur relatief hoog is (33 jaar voor een substituut en 42 jaar voor een rechter) en dat het een magistraat verboden is andere activiteiten uit te oefenen (art. 293 e.v. Gerechtelijk Wetboek).

 

Het kabinet antwoordde dat de magistraten uit de voorgenomen hervorming halen, niet in overeenstemming zou zijn met het regeerakkoord van 12 februari 2025. Vervolgens gaf het kabinet aan dat in het regeerakkoord wordt gesproken over “de invoering van een 2e pijler” voor de magistratuur, maar het kabinet gaf ook toe dat de invoering ervan slechts op “zeer lange termijn” is gepland. Toen de vertegenwoordigers van de magistraten hebben gevraagd of deze invoering eerder zou kunnen plaatsvinden om het verlies op het niveau van de eerste pijler te compenseren, heeft het kabinet enkel meegedeeld dat dit het voorwerp zou moeten uitmaken van een politieke beslissing.

 

In laatste instantie hebben de ARM en de drie pijlers gevraagd of er nog ruimte was voor overleg over andere mogelijke overgangsmaatregelen. Ook hierop kwam een negatief antwoord vanwege het kabinet van de minister van Pensioenen.

 

Bij afloop van de vergadering gaf het kabinet aan dat het overleg met de magistratuur werd beëindigd zodat het niet nodig was om nog nieuwe bijeenkomsten in te plannen.

 

 

[1] De vermindering van 30 tot 40%, vermeld in het advies van het ARM van 14 april 2025, heeft betrekking op een ander aspect van het hervormingsplan. Dit percentage was vastgesteld op basis van het onbeperkte karakter van de niet-indexering en op basis van de wens om het pensioen van de eerste pijler van de publieke sector terug te brengen tot dat van de eerste pijler voor de privésector. Dit onbeperkte karakter van de niet-indexering van het Wijninckx-plafond werd in het ontwerp van Programmawet dat werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 mei 2025 beperkt tot maximaal vijf niet-indexeringen in de periode van 1 juli 2025 tot 31 december 2029. De werkelijke impact van deze maatregel blijft dus beperkt tot een verlies aan koopkracht van maximaal 9,43% tijdens deze legislatuur.

 

[1] De vermindering van 30 tot 40%, vermeld in het advies van het ARM van 14 april 2025, heeft betrekking op een ander aspect van het hervormingsplan. Dit percentage was vastgesteld op basis van het onbeperkte karakter van de niet-indexering en op basis van de wens om het pensioen van de eerste pijler van de publieke sector terug te brengen tot dat van de eerste pijler voor de privésector. Dit onbeperkte karakter van de niet-indexering van het Wijninckx-plafond werd in het ontwerp van Programmawet dat werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 mei 2025 beperkt tot maximaal vijf niet-indexeringen in de periode van 1 juli 2025 tot 31 december 2029. De werkelijke impact van deze maatregel blijft dus beperkt tot een verlies aan koopkracht van maximaal 9,43% tijdens deze legislatuur.